Citaat van de week: De pijn van schaamte en jaloezie is zo hevig, omdat ijdelheid ons niet kan helpen ze te verdragen (La Rochefoucauld)
Alessandro Baricco's kokette melancholie
Schrijver(s) Alessandro Baricco
Gepubliceerd in de Volkskrant 4 oktober 2014
Datum gepubliceerd 04-10-2014

In Een bepaald idee van de wereld bespreekt de Italiaanse schrijver Baricco een boek over Spinoza en Leibniz. Briljant noemt hij het boek, ‘precies licht genoeg,’ en hoewel hij niet alles snapt, wordt het denken van Spinoza hem ‘in elk geval een stuk duidelijker dan de bijsluiter van paracetamol’.

Die geestige slotzin is Baricco ten voeten uit. Wat hem nu precies duidelijk wordt, mag de lezer daarentegen zelf verzinnen. Baricco studeerde ooit filosofie, en dan niet het meest frivole, maar zware jongens als Vattimo, Nietzsche en Adorno. Sindsdien probeert hij op het obsessieve af een lichte toon te handhaven. Een bepaald idee van de wereld behandelt vijftig willekeurige boeken die een jaar lang wekelijks in een column voor La Repubblica aan bod kwamen.

Baricco brak internationaal door met de roman Zijde (1996) en is in ons land ook bekend van zijn vier jaar geleden verschenen beschouwingen in De barbaren. Daarin legt hij prachtig uit hoe wij leven in een tijd van surfen op het web, een tijd van postmoderne oppervlakkigheid, van Facebook en commercie, waarin romantische waarden als authenticiteit en kwaliteit weinig meer betekenen. Hij doet dat steeds met aansprekende voorbeelden, uit het voetbal of van wijn die wereldwijd hetzelfde wordt, tot in de oorspronkelijke wijngebieden van Italië aan toe.

Wie zich aan onze tijd ergert, vergeet hoe de Chinezen vele eeuwen aan een muur bouwden om de barbaren buiten hun immense rijk te houden en die muur voltooiden toen er inmiddels een barbaar op de troon zat. Wat blijft er van onze beschaving over, vraagt Baricco zich vervolgens af, wat nemen we, nu de barbaren gewonnen hebben, nog mee naar de nieuwe tijd? Daarop geeft hij zelfs niet het begin van een antwoord.

Toch is zijn verscheurdheid tussen zulke grote problemen en lichtvoetige retoriek overal aanwezig. Zo stuit hij op een boek van twee journalisten die de oppervlakkigheid van de media en intellectuelen aan de orde stellen. Eén van hen gaat naar een sloppenwijk in Rio en vat zijn verhaal daarover in een krachtig beeld samen: het spinnenweb van draden in de lucht waarmee ze daar illegaal stroom aftappen.

Over dat beeld is deze Pascale enorm tevreden, totdat hij van een Amerikaanse antropoloog verneemt ‘waar al die draden naar toe gingen.’ Bijvoorbeeld naar een meisje dat de hele nacht in gestolen lamplicht zit te studeren voor een betere toekomst. Deze journalist ontmaskert zichzelf, we moeten doordenken en niet bij de oppervlakte blijven, bekent hij. Baricco staat erbij te applaudisseren en wat heeft hij dit alles mooi opgeschreven. Hier spoort hij de lezer en zichzelf aan wat vaker door te denken en niet in beelden te blijven hangen, hoe verleidelijk ook.

Maar enkele bladzijden later zingt hij al weer vrolijk de lof van lijstjes woorden van de Gebroeders de Goncourt. Als de lezer niet begrijpt hoeveel troost je daaruit kunt putten, dan weet hij vast niet ‘wat bepaalde barsten in de ziel inhouden, en dus ook niet wat de waarde is van de zalfjes die daarop gesmeerd kunnen worden.’ En bij Over de methode van Descartes schrijft deze Alain de Botton van de Italiaanse literatuur dat de inhoud heus niet zo belangrijk is: het ‘kan ook gelezen worden puur vanwege het plezier in de schoonheid.’

Baricco kan haarfijn uitleggen waarom detectives en thrillers zo oppervlakkig zijn, en wat er zo goed is aan Faulkners Go down, Moses. Tegelijk ontspoort de ondragelijke lichtheid waarmee hij geregeld naar het einde van de literatuur en de filosofie verwijst vaak in kokette melancholie. Die je hem dan weer vergeeft omdat hij zo’n onbevangen lezer is, en zijn invallen zo geestig en meeslepend verwoordt, dat hij die melancholie en sombere toekomstbeelden zelf ondergraaft.

 

Alessandro Baricco: Een bepaald idee van de wereld. Vertaling Manon Smits, De Bezige Bij, 240 pagina’s