Uit de kist: Hugo de Groot


Gepubliceerd in:
NRC Handelsblad 15 januari 1994

Een ontsnapping per helikopter is altijd spectaculair maar de beroemdste vlucht uit de geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen blijft vooralsnog die per boekenkist van Hugo de Groot. Het is tekenend voor de geleerdheid van deze veelzijdige bondgenoot van Oldenbarnevelt, dat hij op 22 maart 1621 als een stapel boeken uit Slot Loevestein werd weggedragen. De Groot immers legde een voor ons inmid­dels nauwelijks meer voorstelbare belezenheid aan de dag, die hij deelde met enkele andere humanisten van zijn tijd. Ze hadden niet alleen de geschriften van de Oudheid op een rij, maar waren minstens zo goed thuis in ge­schiedschrijving, theologie en filosofie van latere eeuwen.

  Deze imponerende eruditie spreekt ook uit De Groots De jure belli ac pacis (1625), waarvan het eerste boek nu in vertaling is verschenen in de schitterend uitgegeven reeks Ambo Klassiek. In het eveneens opgenomen voorwoord, de Prolegomena, dat aan de drie boeken van bij elkaar zo’n kleine duizend bladzijden voorafgaat, schrijft De Groot dat hij zich zoveel mogelijk heeft uitgedrukt “in een beknopte en didactische stijl”. Tegenwoor­dig lijkt dit misschien een vreemde aankondiging voor een zo omvangrijk werk, dat reeksen argumenten opsomt voor elke stelling die te berde wordt gebracht. Maar het telkens aanvoeren van heidense, klassieke schrijvers, oudtestamentische bronnen, ondersteuning uit het Nieuwe Testament en de christelijke commentaren daarop, inclusief tegenwerpingen en hun weerleg­gingen, is typerend voor het deels nog scholastieke, deels humanistische betoog dat in deze kringen gangbaar was.

  Het recht van oorlog en vrede is het eerste werk waarin natuurrecht, volkenrecht en oorlogsrecht op een systematische wijze aan de orde komen. Om te beginnen wordt de vraag behandeld, wanneer er van oorlog kan worden gesproken en wie het recht heeft oorlog te voeren. Het tweede boek vraagt zich af, in welke gevallen oorlog gerechtvaardigd is en het derde wat er ten tijde van oorlog wel en niet is toegestaan. Het zijn vragen die nog steeds niet aan actualiteit hebben ingeboet, evenmin als veel van de ant­woorden die De Groot hierop geeft.

  Zo kunnen nogal wat door hem geformuleerde rechtsbeginselen van toepas­sing zijn op kwesties die zich opdringen wanneer we denken aan de oorlog in het voormalige Joegoslavië. De Groot bestrijdt bijvoorbeeld de opvatting, dat in oorlogstijd alles geoorloofd is omdat het recht zou worden opgeschort. Verder geeft hij een aantal criteria voor de toelaatbaarheid van een private oorlog, de oorlog binnen een staat. In zo’n geval dienen lagere machtheb­bers de hoogste machthebber te consulteren voor ze een oorlog aangaan, terwijl ook de veiligheid van de hele gemeenschap van burgers hierin een zwaarwe­gend argument behoort te zijn.

  Lindemans heeft gekozen voor een zeer letterlijke vertaling, die wat stroef is maar soms onbedoeld tot een mooie wending leidt. “Ondertus­sen”, zo laat hij De Groot aan het slot beweren, “zullen we stellen dat iedereen van nature de verdediger is van zijn eigen recht. Daarom hebben we handen gekregen.” In het Latijn staat hier ongetwijfeld manus, dat letterlij­k hand(­en) betekent, maar ook op kracht kan duiden, op het vermo­gen zich te weren.

  De nauwgezetheid en de uitvoerige annotatie maken van deze vertaling meer een studie-uitgave dan de enkele jaren geleden verschenen bloemlezing uit Het recht van oorlog en vrede van Eyffinger en Vermeulen, die beter leesbaar is en bovendien een overzicht bood van het hele boek. Voor beider aanpak is echter wel iets te zeggen. Alleen wekt Lindemans wel eens de indruk om met zijn filologische beginselvast­heid en zijn juridisch aandoen­de hang naar volledigheid in het vermel­den van tekstvarianten niet onder te willen doen voor de wandelende boeken­kist die Hugo de Groot moet zijn geweest.

Het recht van oorlog en vrede. Prolegomena & Boek I. DOOR HUGO DE GROOT. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door J.F. Lindemans, 391 p., Ambo Klassiek 1993