In een verhaal van Charles Dickens uit 1834 ontmoet een meisje uit een lager middenklasse-gezin een jongeman met buitengewoon verfijnde manieren. De familie nodigt deze Horatio Sparkins uit voor een avondje theater, want hij lijkt een geweldige huwelijkskandidaat. De moeder troont haar dochters naar een klerenwinkel mee om goed voor de dag te komen. Ze vinden het maar een armoedig zaakje. ‘Wat zou Mr. Sparkins zeggen als hij ons hier kon zien?’ roept de oudste uit. Ze beginnen zo veel eisen te stellen dat de eigenaar er ten slotte zijn knecht bijhaalt, die enthousiast tevoorschijn springt: Horatio Sparkins.
Voor de Zweedse historicus Peter Andersson is de jonge winkelbediende het toonbeeld van een Londense dandy uit die tijd. Deze gents waren goed gekleed en streetwise; ze rookten sigaren, dronken champagne, hadden kleurige dassen, gele handschoenen en soms een rijzweepje dat het bezit van een paard suggereerde. Toch aapten ze niet de aristocratie na, zoals het satirische tijdschrift Punch insinueerde. Ze waren eerder uit op prostitutie, drank, theater, gokken of het bizarre rat-killing, waarbij een getrainde hond zo snel mogelijk een aantal ratten dood moest bijten.
De invloed van de dandy op mode en kledingstijlen is moeilijk te overschatten. Drukt mode immers niet, in de woorden van de Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel, de simultane wens uit zowel erbij te horen als op te vallen? En doet de dandy niet bij uitstek het laatste? Toch is Anderssons drijfveer voor dit boek eerder een persoonlijke. Zijn fascinatie gaat terug naar zijn eigen dandygedrag op school, ooit in een stadje in Zweden. Ook hij wilde erbij horen en zich onderscheiden, maar dat laatste weer niet op een elitaire manier.
Misschien is dat zijn Scandinavische inborst, in elk geval doemt in dit boek een heel ander soort dandy op dan wij kennen. Niet de even geestige als tragische, homoseksuele schrijver Oscar Wilde, of de provocerende dichter Charles Baudelaire; noch het deftige Britse prototype Beau Brummell, de exuberante poëet, aristocraat en celebrity Lord Byron of de legendarische Graaf Robert de Montesquiou die in romans van J.K. Huysmans en Proust een tweede leven zou krijgen. The Dandy focust in een paradoxale afkeer van alles wat elitair is juist op jongemannen uit de lagere klassen, op ‘populair dandyisme’.
Bestaat dat, of is het een verzinsel van de auteur? In Anderssons chronologische overzicht kenmerken dandy’s zich door variaties op het mannenpak en algemener door flamboyante distinctiedrift. Tegelijk dragen zij de nihilistische onverschilligheid van een opstandige jeugd uit. In een soms meeslepende speurtocht vlooit de schrijver archieven na op wie ‘zowel onfatsoenlijk als gentleman’ wil zijn en oogst hij rijkelijk uit politierapporten, lokale krantjes, rechtbankverslagen en populaire tijdschriften.
Het resultaat is een kleurrijke stoet aan dandy-achtige figuren: jonge, goed geklede mannen met (vaak opgeplakte) snorren uit verschillende lagen van de bevolking. In de moderne samenleving van begin negentiende eeuw lijken ze eerder te leven om zich te kleden dan omgekeerd. Ze zijn te vinden in een breed sociaal scala van zakkenrollers en kleine boefjes tot keurige winkelbedienden en leisure class hangjongeren op hoge fietsen, ook wel ‘dandy-horses’ genoemd.
Na deze swells en gents valt het zoeklicht in een volgend hoofdstuk op de calicots in Parijs, die de uit Napoleons oorlogen teruggekeerde soldaten imiteerden door lange snorren te laten groeien en sporen aan hun laarzen te dragen. Opgevolgd door de gandins met korte wandelstok, groene das, hondeleren handschoenen, neusbrilletje, knickerbockers en sigaar (soms van chocola, als ze de tabak niet verdroegen). Het boek vervolgt met de gommeux die rond 1870 de revolutionaire haarscheiding in het midden van hun voorgangers overnamen, waarna de schrijver oversteekt naar de black dude in de Verenigde Staten.

Karikatuur van Parijse dandy 19e eeuw
Zo trekt dit relaas een spoor van uiterlijkheden door de geschiedenis waarin mannenpak en kleurige dassen een constante zijn. Ook de wandelstok duikt telkens op, soms parmantig horizontaal onder de arm gedragen, dan weer in korte vorm verticaal in de lage zijzak van een mantel. Allerlei spotprenten laten zien hoe de stok geregeld naar de lippen wordt gebracht. Cane-sucking heet dat in dit boek.
De opstandigheid van al deze fraai uitgedoste, rebellerende jongeren uit grootstedelijke subculturen is zelden politiek. Niet bij de Gigerl met hun puntschoenen, rode kousen, opgerolde broekspijpen en hoge boord in het Wenen van rond de eeuwwisseling, noch bij de geelgesokte Grilljannar in Stockholm die volgens een satiricus in hun wijde kleren dreigden te verdwalen.
Je zou verwachten dat dit verandert bij de ‘transgender dandy’ uit het interbellum in Parijs en Berlijn. Er bestaat dan bijvoorbeeld een complexe wisselwerking tussen lesbische subcultuur en populair dandyisme. Een lesbisch accessoire uit het clubleven als de monocle, en ruimer, de ‘mode garçonne’, gingen deels op de dandy terug. Maar werd deze genderbending politiek, of bleef het marginaal en verborgen? Dit boek brandt zijn vingers liever niet aan genderpolitiek. De dandy blijft hier eerder womanizer dan androgyn, de vrouwelijke dandy komt verder niet aan de orde en homoseksuele mannen blijven in dit hele verhaal hoegenaamd afwezig.
Iets politieker is misschien de wereldwijde jazzcultuur, van de Berlijnse Swing-Jugend tot de Parijse zazous en van de Weense Schlurfs tot de Tsotsi in Zuid-Afrika, omdat die zich verzet tegen racisme en opkomend nationaalsocialisme. Ondertussen raakt de auteur hier het toch al moeilijk zichtbare onderscheid tussen dandy en jeugd- en subcultuur volledig kwijt. Waarom zo hardnekkig het tijdpad blijven volgen, tot ver in de twintigste eeuw, en je afvragen of Bryan Ferry en David Bowie dandy’s zijn? Of yuppies dandy’s zijn? Hipsters? Andy Warhol, David Beckham, Snoop Dogg? Is de dandy niet gewoon een negentiende-eeuws verschijnsel dat velen tot op heden heeft geïnspireerd in kleding en gedrag?
Hier speelt angst voor het elitaire de schrijver parten. Zijn krampachtige zoektocht naar de stem van het volk breekt hem uiteindelijk op. Lachte dat volk de dandy juist niet altijd vierkant uit, blijkens talloze populaire cartoons uit de negentiende eeuw, nog doorklinkend in liedjes als The Dedicated Follower of Fashion (1966) van The Kinks?
Is de dandy bovendien niet van meet af aan een eenling, vervuld van minachting jegens het plebs dat de schrijver in dit boek zo vurig bewondert? Op de laatste pagina’s verklaart hij het vlinderdasje en het tweedpak uit zijn schooltijd met het gevoel destijds nergens bij te horen: ‘I was alone.’ Dan maak je geen deel uit van een jeugdcultuur maar ben je buitenstaander. Net een dandy.
Peter K. Andersson, The Dandy. A People’s History of Sartorial Splendour. Oxford University Press, 340 blz.



























