De oude Grieken hadden geen woord voor ‘blauw’. Maar dat ze deze kleur dan ook niet zagen lijkt een rare gevolgtrekking met die prachtige azuren zee rondom, met de korenbloemen uit hun land en de stralend blauwe lucht erboven. Wat zag Homerus eigenlijk voor zich toen hij de ‘wijn-donkere zee’ beschreef? En hoe ondergingen Engelsen een zonsondergang voor het woord orange in de vijftiende eeuw in hun taal opdook?
Veel filosofen hebben zich over het verschil gebogen tussen wat we waarnemen en hoe we er de goede woorden voor vinden. Dat lijkt een abstracte kwestie, maar wie een woordenboek of encyclopedie maakt loopt er telkens keihard tegenaan. In True Color schetst Kory Stamper hoe de drie grote edities van Webster’s (1909, 1934 en 1961) worstelden met het definiëren en benoemen van kleur.
De Webster is wat reputatie betreft de Amerikaanse pendant van Encyclopaedia Brittanica, tot de komst van internet en Wikipedia een vrijwel onomstreden autoriteit. Het is één dik, dichtbedrukt deel, meer dan een woordenboek en minder dan een encyclopedie. Elk lemma van het terughoudend geïllustreerde standaardwerk vereist dus krankzinnig veel denkwerk om de juiste balans te vinden tussen diepgang, wetenschappelijke precisie, beknoptheid en toegankelijkheid voor een groot publiek. En van dat denkwerk, de discussies, misverstanden en vaak dramatische persoonlijke geschiedenissen doet Kory Stamper verslag aan de hand van één thema: kleur.
Zelf werkte Stamper dertig jaar als lexicograaf bij Merriam Webster en tijdens de herziening van de W3, zoals de derde editie in het bedrijf wordt genoemd, begon haar ‘love affair’ met kleur. Kleur is lastig precies te omschrijven. En in de Webster, aldus Stamper, staat nauwkeurigheid juist voorop: de losse stijl uit de achttiende eeuw van Dr. Samuel Johnson kan het zich niet meer veroorloven. Johnson definieerde ‘haver’ bijvoorbeeld als ‘een graan dat in Engeland doorgaans aan paarden wordt gegeven maar waar in Schotland de mens op leeft.’
Zoals bij veel dingen wordt kleur al snel ingewikkelder naarmate je er meer induikt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deden de strijdende partijen volop onderzoek naar kleur voor de precieze camouflage van uniformen, voertuigen en schepen: de juiste kleur werd hier van levensbelang. Maar wat was ‘juist’? Na de succesvolle introductie van margarine in 1870 brandde een discussie los over hoe geel het precies mocht zijn in de harde concurrentie met boter. Het werd uitgevochten tot in het Amerikaanse Congres en dan moet je goed weten wat je met ‘geel’ bedoelt.
Omdat kleur op ons onbewuste werkt werd het een toonaangevend instrument om de consument te beïnvloeden, of het nu om voedsel ging, kleding, speelgoed, keukengerei, tuinieren, woninginrichting of auto’s. Bij ontwerp en productie ontstond in de industrie daarom een toenemende behoefte aan standaardisering van kleur.
Die ambitie leefde vanzelfsprekend bij de redactie van Webster. Maar hoe ingewikkeld blijkt zoiets simpels als kleur! Scheikundigen hielden zich bezig met pigmenten, fysici met brekingsindexen, estheten met kunstgeschiedenis, psychologen met de effecten van kleur op de geest, marketingspecialisten en lexicografen met naamgeving. Kleur heeft allerlei schakeringen en gevoelswaarden, er is een verschil tussen donker, intens en diepblauw, tussen dof, mat, zacht, bleek en zwak, tussen licht en helder, glanzend, tintelend en stralend. En ziet iedereen wel dezelfde kleur? Hoe weet je dat?
De laatste, meer filosofische vragen laat het boek links liggen. Wittgenstein wordt nergens genoemd en ook de psychologische, subjectieve ervaring van kleur zoals die sinds Goethes Kleurenleer vaak ter sprake is gekomen gaat aan Stamper voorbij. Zij is een hartstochtelijk lexicograaf en bespreekt in haar zoektocht naar de juiste standaardindeling van kleuren de geboorte van drie generaties woordenboek net zo uitvoerig als de manier waarop kleur daarin terechtkwam.
Om tot een goede en werkbare indeling van kleuren te komen woedde bij Webster telkens een strijd tussen wetenschappelijke systematiek tegenover wat voor gewone mensen begrijpelijk was; tussen ingehuurde specialisten en degenen die het boek moesten maken en verkopen. Kon je aankomen met een omschrijving van lila als een licht grijsachtig rood? Of toch maar liever, minder verantwoord, roze-paars met een verwijzing naar seringen? Het grootste probleem was dat men bij de Webster volkomen consequent wilde zijn.
Bij het naderen van de publicatiedatum werd uitgeverij Merriam-Webster telkens een snelkookpan met overwerkte teams, ontslagen, improvisaties en nauwelijks beheersbare conflicten. Kort voor het verschijnen van de Webster uit 1934 maakte de bevlogen redacteur Paul Carhart een einde aan zijn leven. Een andere hoofdrolspeler in dit verhaal, de door polio in een rolstoel gekluisterde Edward Oakes haalde zijn pensioen niet en de held van deze kleurengeschiedenis, de onmisbare, veelzijdige I.H. Godlove, werkte in zijn ziekenhuisbed onverstoorbaar door aan kleuromschrijvingen en stierf in 1954, zeven jaar voor het verschijnen van W3.
Veel van zijn resultaten dreven overigens op het werk van zijn vrouw, de chemicus Margaret Moss die, toen zij trouwden, moest stoppen met werken. Op een gegeven moment stelde Godlove aan Merriam-Webster voor dat zij misschien als ‘stenografe’ ook wat betaald kon krijgen. Kory Stamper duikt de archieven in om te ontdekken hoeveel wetenschappelijk werk Margaret voor haar man verzette. En dan schreef ze ook nog eens onder diens naam de nieuwsbrief vol van de overkoepelende kleurautoriteit ISCC-NBS, het nationale instituut dat kleur vastlegde. Waarmee dit boek een klein monumentje opricht voor al het door de geschiedenis uitgewiste werk van getrouwde vrouwen uit de vorige eeuw.
In 1955 was slechts 54% van de W3 klaar. Het jaar daarop nemen zestien redacteuren ontslag, alle inspanningen voor een grondig herziene, heldere indeling van kleur lijken op een mislukking uit te lopen, vrezen de betrokkenen, op lapwerk, op ‘een regenboog van grijs’. De schrijfster laat in het midden of het inderdaad zo erg werd.
Toen de derde druk ten slotte uitkwam luidde de kritiek in elk geval dat dit woordenboek te beschrijvend was in plaats van juist taalgebruik voor te schrijven. Was het wel aan de Webster een omschrijving van dagelijks spreektaal te geven, uitdrukkingen als ‘ain’t’? Zo’n bedenking raakt het hart van de discussies over kleur. Want beschrijf je wat we zien dan wel zeggen te zien, of probeer je wat we waarnemen in een coherent, wetenschappelijk verantwoord systeem onder te brengen?
Kory Stamper, True Color. The Strange and Spectacular Quest to Define Color – from Azure to Zinc Pink. Knopf, 310 blz.



























