Bij de opening van het academisch jaar hamerden bestuurders braaf op het maatschappelijk belang van de universiteit. In Groningen ging het over haar rol ‘in het midden van de samenleving’. De Nijmeegse Radboud Universiteit had het over ‘verbinding, als antwoord op maatschappelijke ontwikkelingen’. Tilburg stelde dat de universiteit onmisbaar is bij de opkomst en alomtegenwoordigheid van AI en in Twente klonk een pleidooi voor ‘courage’.
Allemaal meer dan terecht. De universiteit moet haar ogen niet sluiten voor de wereld om zich heen. Maar doet de samenleving omgekeerd wel genoeg voor de universiteit? Die kraakt al jaren in haar voegen. De desastreuze bezuiniging van het vorige kabinet mag van de baan zijn, de grote problemen in het hoger onderwijs staan bedroevend laag op de politieke agenda.
In dat licht verschijnt nu een pamflet van Klaas van Berkel, als wetenschapshistoricus bij uitstek geschikt om zijn licht over die problemen te laten schijnen. Zijn diagnose van de universiteit in Leve de ivoren toren is niet nieuw, maar wel glashelder verwoord, goed onderbouwd en daarmee urgent leesvoer voor beleidsmakers, docenten, studenten en publiek.
Wat is er mis? Om te beginnen verdubbelde het aantal studenten de laatste 25 jaar van zo’n 160.000 tot 330.000 nu. Terwijl de uitgaven nauwelijks stegen, wat neerkomt op een even gigantische als beschamende bezuinigingsoperatie onder de kabinetten van Balkenende en Rutte. Dat ging vooral ten koste van onderwijs, want per student wordt nu 25% minder uitgegeven dan in 2000. Elke docent die wat langer meeloopt weet hoe dat uitpakte. Eerst werd al het te geven onderwijs tot op het halve uur gekwantificeerd, waarna een eindeloos snoeien, schaven en uitpersen begon. Met allerlei corrumperende mechanismen tot gevolg.
Zo herinner ik mij als docent filosofie en geschiedenis aan verschillende universiteiten goed het moment waarop je geen ‘uren’ meer kreeg voor onvoldoende beoordelingen. De universiteit werd immers grotendeels op output (lees: diploma’s) gefinancierd? Geen collega protesteerde. Onder toenemende werkdruk begon de verleiding om zoveel mogelijk studenten te laten slagen onweerstaanbaar te worden. Waar haalde je anders nog tijd voor onderzoek vandaan?
Op papier werden studenten door deze maatregel beter. Er kwamen minder onvoldoendes en dat was een stuk goedkoper. Die bestuurlijke win-winsituatie zou in allerlei varianten terugkeren. Ondertussen waren jonge docenten het meest de klos. Zij gaven geen kik omdat ze afhankelijk waren van tijdelijke baantjes met vrijwel uitsluitend onderwijs, zodat ze in hun vakantie en weekenden een onderzoeksaanvraag moesten schrijven. Menig ambitieus talent liet een academische loopbaan daarom varen.
Aangezien de universiteit op grond van aantallen studenten werd gefinancierd hield ze alleen het hoofd boven water door er zoveel mogelijk aan te trekken. De drempel ging omlaag. Er werd reclame gemaakt alsof het om een nieuw wasmiddel ging en vervolgens kwamen onder het hypocriete vaandel van internationalisering honderdduizenden studenten uit het buitenland. De voertaal werd een vereenvoudigd Engels. Soms vlamde het protest een ogenblik op maar de wetenschappers namen meestal morrend hun verlies om zoveel mogelijk van hun eigen hachje te redden.
Niet alleen de massale toestroom van studenten verwoestte het academische klimaat, ook de overheid verpestte het met regelgeving, visitaties en andere vormen van bureaucratie waarin telkens nut en opbrengst van onderzoek en onderwijs werden geëist. Zo stimuleerde controlezucht het conformisme van murw geslagen docenten en onderzoekers. Achter steeds meer deuren op de gang zaten ambtenaren lijsten in te vullen en zich met wetenschappers te bemoeien. Elke intellectuele sprankeling werd verdacht.
Volgens Van Berkel tast de bemoeizucht drie fundamentele academische waarden aan. Ten eerste de intrinsieke betekenis van kennis. Onderzoekers en studenten worden in principe gedreven door nieuwsgierigheid. Het is mooi wanneer hun honger naar kennis samenvalt met vragen uit het bedrijfsleven of met de nationale onderzoeksagenda, maar het verlangen iets te ontdekken moet tellen, niet de eisen van wie in neoliberale newspeak ‘stakeholders’ zijn gaan heten. De universiteit dreigt ‘meer en meer de afdeling Research & Development van de B.V. Nederland’ te worden terwijl niet zozeer de verwachte opbrengst het uitgangspunt dient te zijn, als wel wat wetenschappers zelf willen onderzoeken. ![Blog] De opening van het academisch jaar: van 'opening der lessen' naar #oaj :: Geheugen van de VU](https://www.geheugenvandevu.nl/application/files/6816/0024/6339/Opening_Academisch_Jaar-1964.jpg)
Verder pleit de historicus voor de sinds Wilhelm von Humboldt (1767-1835) vaak verdedigde combinatie van onderzoek en onderwijs. Studenten krijgen een wetenschappelijke houding door zelf aan onderzoek deel te nemen en docenten geven interessanter en actueler les door hun eigen onderzoek erbij te betrekken. Eens. Of dit echter een exclusief academische waarde is, betwijfel ik. Doet veel hoger beroepsonderwijs niet hetzelfde en trouwens secundair onderwijs ook al decennia lang? Leerlingen voeren op school toch allerlei leerzame onderzoekjes uit? En dan al jaren voor ze aan hun profielwerkstuk beginnen?
De belangrijkste, tegenwoordig veel bediscussieerde waarde is academische vrijheid. Die is, aldus Van Berkel ‘iets anders dan vrijheid van meningsuiting’. Want academici zijn wel degelijk gebonden aan eisen van integriteit, wetenschappelijke zorgvuldigheid, transparantie en onafhankelijkheid terwijl ook nog elk vak zijn eigen normen heeft. Je kunt aan de universiteit niet roepen wat je maar wilt.
De academische vrijheid komt in gevaar door agressief wantrouwen van complotdenkers en populisten, denk aan anti-vaxers tijdens de coronajaren en aan de huidige titanenstrijd tussen Harvard en Trump in Amerika. Maar ook door samenwerking met autoritaire landen of met het bedrijfsleven die onwelgevallige resultaten afwijzen of vrije gedachtevorming belemmeren. En door overheidsbemoeienis met dwingende onderzoeksagenda’s; door de eis tot grootschalige research die individuele initiatieven fnuikt; door een monopolie van het Engels onder het mom van internationalisering, door rigide publicatiedwang en door politieke ideologie.
Daar komt de marginalisering van de ooit bloeiende universitaire pers bij, nu aan veel instellingen gedegradeerd tot personeelsblaadje of marketinginstrument. Met de democratie op universiteiten is het dan ook treurig gesteld. En in Nederland meer dan elders. Wie schouderophalend denkt dat deze bedreiging van de academische vrijheid een soort onvermijdelijke, wereldwijde ontwikkeling is, zou echter niet alleen slaafs naar Amerika moeten kijken.
Leve de ivoren toren gaat er niet op in en je hoort er weinig over, maar op de internationale ranking voor deze academische vrijheid staat Nederland inmiddels op de zestigste plaats. Met boven zich landen als Botswana, België, Uruguay, de Dominicaanse Republiek, Nigeria, Bulgarije, Israël, Jamaica en Zambia. Maatschappelijke polarisatie en de erop volgende zelfcensuur, bezuinigingen en afnemende zelfstandigheid van academische instellingen eisten hier hun tol. Om die reden deden de rectoren van Nederlandse universiteiten vorig jaar een noodkreet uitgaan toen de academie tijdens pro-Palestijnse bezettingen in de pers onder populistisch vuur kwam te liggen. Uit Den Haag klinkt gesnurk.
Van Berkels diagnose is sympathiek en alarmerend, maar zijn oplossing een papieren tijger. Hij droomt van een kernuniversiteit, half ironisch een ivoren toren genoemd, met daaromheen een schil van meer praktisch gerichte instituten. Tot een uitwerking komt het niet omdat de grote vragen buiten beschouwing blijven. Cruciaal in zo’n plan is bijvoorbeeld de verhouding tot het hoger beroepsonderwijs, waar de schrijver geen seconde bij stilstaat.
En hoe kun je verder de universiteit kleiner maken zonder de uitsluiting van grote groepen studenten uit minder geprivilegieerde delen van de samenleving? Dat gaat naast sociale rechtvaardigheid ook over het gebrek aan bereidheid om het enorme potentieel van onbekend talent aan te boren. Zo slaat de metafoor van de ivoren toren onbedoeld op het eigen betoog terug.
Het pleidooi voor onafhankelijkheid van de universiteit is er niet minder urgent om. De hedendaagse maatschappij kan alleen overleven dankzij de autonomie van kennis, van het recht en van informatie, lees: universiteit, rechtspraak en journalistiek. Die zelfstandigheid wordt in hoog tempo ondermijnd door populisme, AI, winstbejag en kortzichtigheid. Hoe verweert een vitale democratische samenleving zich hiertegen? In elk geval niet door je louter op het verleden te beroepen.
Wel helpt het om te begrijpen waar de zelfstandigheid van deze instituties op teruggaat en te analyseren wat hun belang voor de toekomst is en wat hen bedreigt. En ons daartegen te weer stellen. Als je je daarbij echter in een ivoren toren terugtrekt, ga je eraan. Die toren is een luchtkasteel. Het is zaak de politieke arena op te zoeken, het vereiste respect af te dwingen en de perverse, op studentenaantallen gerichte financiering achter ons te laten. Je zult je tot die boze buitenwereld moeten verhouden zonder je onafhankelijkheid eraan op te offeren.
Klaas van Berkel, Leve de ivoren toren. Pleidooi voor een kernuniversiteit. Prometheus, 128 blz.




























