Ludwig Wittgenstein. Bewijs dat hier geen neushoorn is! Prachtige biografie.


Gepubliceerd in:
NRC Handelsblad 4-1-1991

In de zomer van 1935 bezocht Ludwig Wittgenstein de Russische ambassadeur in Londen, op voorspraak van de vermaarde econoom Keynes. Hij was van plan om met zijn vriend en leerling Francis Skinner in de Sovjet-Unie te gaan wonen en daar voortaan eenvoudige arbeid te verrichten in de geest van Tolstoj. Keynes vond het een onzinnig idee maar besloot niettemin te helpen. Hij raadde hem aan zich heel beleefd te gedragen, want al was de ambassadeur een communist, hij zou toch minstens even graag met ‘Zijne Excellentie’ aangesproken willen worden. Het werd een van de weinige keren dat men de onconventionele Wittgenstein met een stropdas kon zien. Hij veegde zelfs omstandig zijn voeten – toen hij het vertrek verliet.

Dit lijkt op het excentrieke gedrag van een verstrooid academicus, maar Wittgenstein was een te gecompliceerde persoonlijkheid om hem met een dergelijk cliche af te doen. Zijn wereldvreemdheid schuilt niet zozeer in zijn haast bezeten filosofische interesse als wel in een buitensporig plichtsgevoel jegens eigen talent, zijn idiosyncratische afkeer van onwaarachtigheid en een zelfopgelegde eenzaamheid, die hem vaak op de rand van zelfmoord brachten. Eigenlijk is Wittgensteins leven een grote ontkenning van de famous last words die hij in 1951 uitsprak terwijl zijn vrienden op weg waren naar zijn sterfbed: Tell them I’ve had a wonderful life.

Ludwig Wittgenstein werd in 1889 in Wenen geboren en groeide op als jongste in een halfjoods gezin van acht kinderen. Zijn vader was een eigenzinnige, overheersende man, zeer vermogend geworden in de staalindustrie. In zijn huis aan de Alleegasse hing werk van Klimt, Mahler kwam op bezoek en Brahms was er pianoleraar. Diens Klarinet Kwintet beleefde hier bij een van de talloze concerten zijn wereldpremiere.

Wie meent dat deze culturele rijkdom louter harmonie en voorspoed weerspiegelt, doet er goed aan zich het fin-de-siecle-karakter van het Wenen van Wittgenstein weer eens voor de geest te halen. In deze geboortestad van zionisme en nazisme, psychoanalyse, Jugendstil, atonale muziek en functionele architectuur, door Karl Kraus ooit bestempeld tot ‘het onderzoekslaboratorium voor wereldvernietiging’, schoot in 1903 de jonge schrijver Otto Weininger zich in het sterfhuis van Beethoven door het hoofd. Eerder dat jaar was Weiningers Geschlecht und Charakter verschenen, een wonderlijk boek over de polariteit van het mannelijke en het vrouwelijke en een theoretische rechtvaardiging voor zijn misogynie en antisemitisme.

Weininger werd een cult hero in het vooroorlogse Wenen, niet in de laatste plaats door die theatrale zelfmoord. In Ludwig Wittgenstein. The Duty of Genius stelt Ray Monk dat Geschlecht und Charakter ook grote invloed op Wittgenstein heeft gehad, vooral waar het pleit voor een nietsontziende eerlijkheid. Hoe belangrijk die invloed uiteindelijk geweest is, blijft natuurlijk een raadsel, maar het is een gelukkige invalshoek.

Op deze manier slaagt Monk erin om Wittgensteins voortdurende behoefte aan afzondering, zijn hekel aan sociale conventies, vooral die van de academische wereld in Cambridge, zijn levenslange religieuze worsteling, zijn ziekelijke perfectionisme, zijn wispelturigheid, doodsverlangen en zijn ambivalentie tussen arrogantie en nederigheid onder een noemer te brengen.

Propellors

Wittgenstein kwam langs een omweg in de filosofie terecht. Hij had in Berlijn een ingenieursopleiding gevolgd en zich gespecialiseerd in de luchtvaartkunde, in die tijd een braakliggend terrein. Bij dit werk, onder andere de vormgeving van propellors en de bouw van soms enorme vliegers, kreeg hij steeds meer belangstelling voor wiskunde en via de grondslagen van de wiskunde voor logica en filosofie. Op instigatie van Frege, grondlegger van de moderne logica, ging hij bij Bertrand Russell studeren.

Daar viel hij, karakteristiek, met de deur in huis. Weken achtereen nam hij bij colleges telkens het woord en achtervolgde hij Russell al betogend en discussierend tot in zijn werkkamer. De hoogleraar herkende Wittgensteins genialiteit maar soms werd diens bevlogenheid hem wat veel. Op 2 november 1911 schreef hij aan zijn toenmalige vriendin: Mijn Duitse ingenieur is geloof ik geschift. Hij denkt dat niets empirisch kenbaar is. Ik verzocht hem toe te geven dat er geen neushoorn in de kamer was, maar dat wilde hij niet.

Later beweerde Russell zelfs dat hij onder alle stoelen en tafels had gekeken om hem te overtuigen. Maar zijn enthousiasme voor Wittgenstein was toen inmiddels bekoeld en zijn behoefte om het absurde van hun discussies te beklemtonen evenredig toegenomen.

Niet alleen de beminnelijke en hulpvaardige Russell kreeg op een gegeven moment genoeg van Wittgenstein. Bijna al zijn vrienden knapten op den duur op zijn zendingsdrang en ichbezogen verwatenheid af, of het nu Keynes was, of de beroemde filosoof Moore die hem op alle manieren steunde. Ook zijn liefdes, eenmaal voor een vrouw en verder voor meestal jonge studenten, kenmerkten zich door een grote eenzijdigheid en dominantie, a certain indifference to the feelings of the other person, zoals Monk het mild omschrijft.

Hoewel de rolverdeling van meester en leerling tussen Russell en Wittgenstein al snel werd omgedraaid en het genie van de jonge buitenlander in Cambridge spoedig werd erkend, duurde het tot 1921 voor zijn eerste hoofdwerk, de Tractatus Logico-Philosophicus verscheen. Het is een dun boekje waarin Wittgenstein met een logische analyse van de taal wil aantonen dat we slechts zinvol kunnen spreken over natuurwetenschappelijk vaststelbare feiten. Over morele of esthetische waardeoordelen, zingeving en religie dienen we volgens hem te zwijgen. Dat zijn zaken die in het leven weliswaar belangrijk zijn, maar theoretische uitspraken daarover zijn speculatief en betekenisloos. Rechtvaardigheid, schoonheid of het bestaan van God kunnen hooguit getoond worden.

In dit licht lijkt Wittgenstein een van de grondleggers van het logisch positivisme, het analytische denken waartegen zoveel twintigste-eeuwse filosofen zich hebben afgezet. Toch is het beeld van de koene strijder tegen metafysica en filosofische vaagheid eenzijdig. Zo worden in de aantekeningen, die hij in de Eerste Wereldoorlog als soldaat maakte, onophoudelijk opmerkingen over logica afgewisseld met gedachten over goed en kwaad, bidden en de zin van het leven. Logica en ethiek zijn wezenlijk hetzelfde, ze zijn slechts de plicht jegens zichzelf, aldus het mystieke, maar toepasselijke motto dat Monk aan Weininger ontleent.

Bergdorpje

De Tractatus bestaat uit twee delen, dat wat is opgeschreven en dat wat niet is opgeschreven, omdat het niet gezegd kan worden. Na 1919, toen Wittgenstein uit Italiaanse krijgsgevangenschap terugkeerde, hield hij zich hoofdzakelijk nog met dat laatste bezig. Hij zette een streep onder de volgens hem overbodig geworden filosofie, overwoog het klooster in te gaan en besloot ten slotte schoolmeester in een armzalig Oostenrijks bergdorpje te worden. Zijn zuster Hermine, die iets van zijn filosofische faam in Engeland had opgevangen, was ontzet dat hij alleen nog maar rekenen en taal aan kleine kinderen zou geven; hij leek wel iemand, zo merkte zij op, die met een precisie-instrument houten kisten open wil breken.

Maar het was nog erger, want Wittgenstein deed ook afstand van zijn enorme familierijkdommen en elke aanspraak daarop. Niet om het aan de armen te laten, eerder om verlost te raken van zijn drukkende schuldgevoelens over dit immers niet zelf verworven kapitaal. In de daaropvolgende decennia is het soms navrant als je ziet hoeveel moeite zijn vrienden doen hem aan geld of een baantje te helpen, behoedzaam om daarbij niet ook nog eens de trots van deze voormalige multimiljonair te krenken.

Wittgensteins loopbaan als onderwijzer had weinig succes. Misschien hadden de dorpsbewoners zijn ruwe behandeling van hun kinderen geaccepteerd als hij niet zo’n vreemde eend in de bijt was geweest. Weliswaar verbijsterde hij de mensen met de wonderbaarlijke reparatie van een stoommachine in de plaatselijke fabriek, maar toen de harentrekkende en om zich heen meppende schoolmeester het elfjarig jongetje Josef Haidbauer tegen de grond had geslagen, moest hij verdwijnen.

Overigens had Wittgenstein het filosoferen niet helemaal opgegeven. Hij onderhield contact met de later zo invloedrijke Wiener Kreis en met Engelse filosofen over de uitgave van de Tractatus. Het bloed kroop kennelijk waar het niet gaan kon. Na een verblijf bij zijn familie in Wenen, waar hij een huis voor zijn zuster ontwierp, besloot hij onder grote aarzeling naar Cambridge terug te keren. Well, God has arrived, schreef Keynes in januari 1929 aan zijn vrouw. I met him on the 5.15 train.

In de hieropvolgende jaren neemt Wittgenstein afstand van de filosofie van de Tractatus en richt hij zich steeds meer op het gebruik van taal. Hij laat het idee varen dat namen naar vaststaande dingen verwijzen en dat onze taal een logische grondstructuur heeft. Woorden krijgen betekenis binnen de context van hun gebruik en die betekenis hangt af van een aantal regels die per ’taalspel’ kunnen verschillen.

Door zijn aandacht voor juist de verschillen van al die contexten slaagde Wittgenstein er niet meer in een algemene theorie te formuleren en hij realiseerde zich allengs beter dat hij dat ook niet wilde. Dat blijkt bij voorbeeld uit een opmerking over Hegel, die altijd probeerde te zeggen dat dingen die verschillend lijken in werkelijkheid hetzelfde zijn, terwijl ik wil laten zien dat dingen die hetzelfde lijken in werkelijkheid verschillen. Kortom: de wereld is niet logisch en ons spreken erover ook niet.

Deze onfilosofische aandacht voor concrete details en de daarmee gepaard gaande theoretische scepsis hebben op de huidige filosofie een immense invloed uitgeoefend. Allereerst in de angelsaksische landen, waar taal en betekenis in het centrum van de belangstelling zijn komen te staan. Ten tweede wordt Wittgensteins verzet tegen het idee dat er eeuwige, onafhankelijke concepten zijn, niet alleen door modieuze postmodernen verkondigd; het is een actueel probleem dat op allerlei gebieden van de wijsbegeerte opduikt, meestal in de gedaante van een hardnekkig relativisme.

Galsteenoperatie

De laatste twee decennia van zijn leven bracht Wittgenstein in Engeland door, met onderbrekingen in Noorwegen en later Ierland, als Cambridge hem weer eens dreigde te verstikken. Ook de Tweede Wereldoorlog was in die zin een welkome afwisseling: hij kon de universiteit inruilen voor werk in het Guy’s Hospital in Londen, waar hij zich verdienstelijk maakte in de ziekenhuisapotheek. Wittgenstein werd er belast met het ronddelen van medicijnen, die hij de patienten overhandigde met het advies ze niet in te nemen. Zijn wantrouwen jegens dokters was zelfs zo groot, dat hij weigerde zich bij een galsteenoperatie geheel te laten verdoven, om de operatie via spiegels in de gaten te kunnen houden.

Over Wittgensteins latere leven bestaan veel getuigenissen. Als iets opvalt, dan is het wel dat zijn ethische en religieuze preoccupaties onverminderd blijven bestaan. Dat blijkt ook uit zijn literaire smaak. Hij sloeg Tolstoj, Dostojevski, Dickens, Rabindranath Tagore en Blake veel hoger aan dan Shakespeare, wiens faam in zijn ogen grotendeels aan conventie was te danken, of Kafka. This man, zei hij, gives himself a great deal of trouble not writing about his trouble. Wittgenstein las trouwens het liefst hard boiled detectives, zoals hij ook de voorkeur gaf aan westerns boven meer pretentieuze films en eerder een musical dan een opera bezocht.

Over de persoon Wittgenstein zijn een aantal herinneringen, documenten en korte schetsen verschenen. Monks boek is de eerste serieuze biografie die Wittgensteins hele leven omvat en dat is in dit geval een grote prestatie. Op de officiele levensbeschrijving van Brian McGuinness werd namelijk al 25 jaar gewacht en daarvan verscheen pas in 1988 de eerste helft. Beiden kiezen voor een intellectuele biografie, waarin het leven in de eerste plaats het werk moet toelichten. Dat is respectabel, maar hierdoor dreigt wel het gevaar van een zekere braafheid.

Monk noch McGuinness ontkomen daaraan. Ze voelen zich verplicht te melden dat Hitler en Wittgenstein in Wenen op dezelfde school zaten, maar worden er niet koud of warm van. Dat Wittgenstein grote delen Brahms en Schubert uit het hoofd floot, op wandelingen of bij de piano, ontlokt hun geen enkele glimlach, evenmin als de gezellige spelletjes domino die hij avonden lang met zijn vriend David Pinsent in Noorwegen speelde.

Verrassend is ook, dat Monk geen melding maakt van Wittgensteins opzienbarende oorlogsgift. Diens elders vaak vermelde donatie van 100.000 kronen (omgerekend nu ook zo’n 100.000 gulden) aan diverse kunstenaars, onder wie Rilke, Trakl, Adolf Loos en Kokoschka, komt bij Monk aan de orde, maar dat Wittgenstein in 1916 een miljoen kronen aan het Keizerlijke en Koninklijke leger schonk voor de aanschaf van een 30 cm houwitser, is kennelijk van geen belang.

Schandaal

Deze biografie is een fascinerend boek. Lovenswaardig is Monks aanpak van de schandaalsfeer die rond Wittgensteins homoseksualiteit was ontstaan na een publikatie van W. W. Bartley III in 1973. Daarin wordt gesuggereerd dat Wittgenstein geregeld in het Weense Prater seks bedreef met rough youths. Monk laat in zijn appendix zien dat hier geen enkele bron voor is, maar in tegenstelling tot McGuinness verdoezelt hij Wittgensteins seksuele voorkeur voor mannen niet. Kennelijk loopt in 1990 ook in Engeland de negentiende eeuw ten einde.

Hoezeer Monk Wittgensteins filosofie ook bewondert, het moet voor hem niet altijd even gemakkelijk zijn geweest zich zo grondig te verdiepen in diens nare, pedante karakter. In 1946 krijgt Wittgenstein het weer eens aan de stok met de dan nog nauwelijks bekende Karl Popper, als die in Cambridge een lezing houdt. Het verhaal wil dat Wittgenstein al een tijdje geirriteerd met een pook had zitten spelen, op een gegeven moment opstond en op hoge toon een voorbeeld van een morele regel vroeg. Het niet met een pook bedreigen van iemand die een lezing komt geven, antwoordde Popper gevat, waarop de vraagsteller woedend het vertrek uitbeende. De precieze toedracht van dit incident is omstreden, maar het staat wel vast dat Wittgenstein deze keer zijn voeten niet veegde.

Ray Monk: Ludwig Wittgenstein. The Duty of Genius. Uitg. Jonathan Cape, 654 blz.