Leonard Nolens: gebaarmoeder in de boshut


Gepubliceerd in:
de Volkskrant 28 oktober 1994

Sommige dichters stoppen hun poëzie van de laatste jaren in een bundel, zoals een croupier aan de roulette de fiches naar zich toeveegt. Daar is niks tegen, zolang die gedichten iets waard zijn en goed op zichzelf kunnen staan. Andere dichters gaan als spelers te werk: ze schuiven berekenend met hun verzen en leggen hun inzet behoedzaam neer in de hoop op maximaal resul­taat.

In Honing en as is Leonard Nolens eerder speler dan croupier. Zijn verzen zijn met zorg gerangschikt. De eerste afdeling van de zojuist versche­nen bundel heet Dagblind. Er staan gedichten in vol zon, jeugd en licht. Maar het is de vraag hoeveel uitzicht dit alles biedt, want de jeugd van de dichter is al lang voorbij:

Mijn ongemakkelijk leven ligt bleek in de zon

En nadert de vijftig. Dat heeft het van jongs af gedaan.

Het aanschouwen van het levenslicht is voor de dichter kennelijk geen onversneden genoegen. Al in het eerste gedicht, Benjamin, valt de klacht te beluisteren over de verbanning uit het baarmoederlijk duister:

’t Was toen dat mijn dag in je nacht is gescheurd

En mijn plaats werd verdaan.

De laatste afdeling van Honing en as heet Nachtzien. Hier heeft de betekenis van “dagblind” een salto mortale gemaakt. De dichter lijkt niet meer ziende blind, als in het begin, maar in het donker juist iets te ontwaren:

Als het donkerde, jij

In het donker mijn naam zei en sliep in je naam,

En slapend mijn donkerte traag naar je toe haalde

Keek ik je aan

Met mijn ogen gesloten

De tweede afdeling heet Achttien; dat rijmt op “nachtzien”. Het zijn acht wat tobberige sonnetten over de pijnen van het leven. “Ik ben altijd achttien. Ik heb geen keus gehad,” zo begint het (op p.19). Voor zover hier iets gezien wordt, is dat omdat de blik naar binnen is gekeerd, meer nog dan elders bij Nolens. In het gedicht Pijn bijvoorbeeld heet het:

Van bij de geboorte behoor ik hier toe aan het ras

Van de missers, de klagers, de smachters met al het verzuim

Van de wereld neergeschreven in hun navelmerk –

Daar wringt mijn plek en kringt mijn klok en zingt mijn werk.

De dichter is zich er goed van bewust dat zijn poëzie uit veel navelstaren bestaat, maar op dat gebied weet hij zijn klachten wel tot zingen te brengen. Ook in die laatste regel zelf trouwens met dat dubbele rijm op “zingt”.

Verblind door het leven, narcistisch piekerend zonder uitzicht probeert Nolens in Honing en as de blik naar buiten te richten om ten slotte een sprankje liefde van de ander te ontwaren of te construeren in duisternis en mist.

Leonard Nolens is de dichter van de boshut. Elke dag verlaat hij, zo wil het verhaal, zijn woning en gezin om als forens naar zijn werk te gaan. Dat werk is dichten en hij verricht die arbeid in een hut in het bos. Nu levert die toewijding niet de filosofische diepzinnigheid op van die andere boshutforens, Martin Heideg­ger, maar enig wereldvreemd gepeins valt deze gedichten niet te ontzeggen.

Nolens’ Waldeinsamkeit, zoals Duitse romantici dit plachten te noemen, is niet alleen een biografisch (en dus irrelevant) gegeven. Zij speelt in Honing en as een duidelijke rol. De dichter worstelt herhaaldelijk met het zelfgekozen isolement, in Etiquette bijvoorbeeld:

Een dag misschien, een dag nog, en het lukt me

Hier in deze boshut onder de mensen te komen

En me terug te trekken in het hart van vreemden.

Het isolement van de boshut heeft veel weg van de hang naar geborgenheid van voor de geboorte: bij Nolens keert zulk gebaarmoeder op allerlei manie­ren terug. Niet symbolisch versleuteld voor psychiaters en andere freudianen onder de lezers, maar ronduit. In Moedertaal is sprake van slaap “met mijn vuisten gebald / In de buik van mijn slapende moeder”; Dichterschap vertelt van een droom van “de plek waar ik viel uit mijn ma / (-) Ik lig er (-) / en tier dat ik terugga.”

De poëzie van Nolens heeft, dit alles ten spijt, een prettige lichtheid. Dat komt vooral door het metrum, dat vaak uit driedelige voeten bestaat. De aange­haalde regels uit Pijn bijvoorbeeld maken ondanks hun loodzware ernst de luchtige indruk van een dansje: “Van de missers, de klagers, de smachters met al het verzuim.”

Nolens realiseert zich zijn (zoetgevooisde) gemopper. In het gedicht Zelfbeklag speculeert hij over de geheimzinnige, wellicht kosmische oorzaak van zijn ontevredenheid; in Mist, waarvan de titel me ook een derde persoon enkelvoud toeschijnt, spreekt hij van zijn klagende naam. (“Nolens” is Latijn voor “niet-willend”).

Wie van dergelijke bedekte melancholie houdt, is bij Nolens aan het goede adres, voor zover een boshut ten minste een adres heeft. Maar aan Honing en as ontbreken wel de scherpe kantjes van het bestaan – er zit weinig werelds aan deze gedichten. Ze bestrijken niet bepaald de ruimte van het volledige leven. Ik zou niet uit willen sluiten, dat Nolens’ onmis­kenbare talent meer opbracht wanneer hij in zou zetten op een omgekeerd dagritme, wanneer hij ’s nachts in die hut ging slapen en ’s morgens vroeg met zijn boterhammen de stad in trok.

Leonard Nolens: Honing en as. Gedichten. Uitg. Querido