Citaat van de week: De pijn van schaamte en jaloezie is zo hevig, omdat ijdelheid ons niet kan helpen ze te verdragen (La Rochefoucauld)
Hoe Luther het licht zag
Schrijver(s) Lyndal Roper, Andrew Pettegree
Gepubliceerd in de Volkskrant 3 december 2016
Datum gepubliceerd 10-12-2016

Christelijke naastenliefde is niet het eerste waar je bij Luther aan denkt. Toen de Duitse boeren in opstand kwamen in het revolutionaire klimaat dat hij zelf had helpen veroorzaken, noemde hij ze ‘dolle honden’. Hij riep op hen ‘tegen de grond te slaan, te wurgen, heimelijk en openlijk neer te steken,’ omdat ‘er niets giftiger, schadelijker en duivelser is dan een opstandeling.’

Luther was zelf een opstandeling. Tegelijk gehoorzaamde hij graag aan de oproep om naar de Rijksdag in Worms te komen en zich tegenover de keizer te verantwoorden voor de ketterij van de 95 stellingen die hij in 1517 op de kerkdeur van Wittenberg zou hebben gespijkerd. Hij ging er ‘de Behemoth tussen zijn grote tanden in de muil schoppen.’ Geschriften van tegenstanders bestempelde hij tot vuil uit een stinkend riool, de Paus heette de Antichrist en wie met Luther van mening verschilde, was op voorhand door de duivel bezeten.

De protestantse wereld maakt zich sinds 1 november op voor een grootse viering van vijf eeuwen hervorming sinds Luther. Overal in Duitsland wordt hij herdacht en ook erbuiten. Vorig jaar kwam Playmobil al met een Lutherpoppetje; de eerste 34.000 exemplaren waren in drie dagen weg. Talloze publicaties staan op stapel of zijn reeds verschenen. In die veelheid valt de nieuwe biografie van de Britse kerkhistoricus Lyndal Roper op, een poging om een meer psychologisch portret van de kerkhervormer te schetsen dan gebruikelijk.

Mooi is haar beschrijving van Luthers jeugd in Saksen, waar zijn vader in de mijnindustrie werkzaam was. Roper laat zien hoe de jonge Martin zich afkeert van diens wens om jurist te worden. Tegen de achtergrond van rokende smeltovens en rusteloos geëxploiteerde koper- en zilvermijnen trok hij zich terug in een augustijner klooster. Zijn werkelijke bekering in dat klooster staat in de traditie van Paulus en Augustinus, maar waar zij zich door Gods genade slechts nederig op de grond wierpen, trof diezelfde genade Luther naar eigen zeggen op de wc.

Op Ropers in de Britse pers bejubelde psychologische aanpak valt wel wat af te dingen, want dat Luther in de strijd met zijn vader een eigen identiteit moest ontwikkelen en dat die strijd zich voortzet ten opzichte van zijn mannelijke leermeesters en de paus voegt niet bijster veel toe. En dat zijn obstipatie in Worms  (‘De Heer treft mij in mijn achterste met ernstige pijn’) zijn eigen ‘wending naar binnen’ weerspiegelde klinkt eerder grappig dan overtuigend. Het lukt de biografe niet altijd even goed om Luthers angsten, leugens, achterdocht, koppigheid, woedeaanvallen, spotlust en megalomanie begrijpelijk te maken.

Dat is ook een helse opgave. Luther was een complexe, hartstochtelijke man uit een tijd waar wij nauwelijks meer grip op hebben. Opvattingen over de geest werden beheerst door de humeurenleer en de temperamenten, door Aristoteles, Hippocrates en vele andere schrijvers uit de Oudheid en erna. Gelukkig bezitten we veel brieven uit die tijd, Luthers beroemde Tafelgesprekken en andere bronnen waaruit we iets over zijn gemoed kunnen afleiden.

 

Afbeeldingsresultaat voor luther

 

Hoewel Roper haar best doet hieruit ook de warme, vriendschappelijke kant van Luther te destilleren, laat deze biografie je toch ontzet achter. Niet alleen door het verraad jegens vroegere vrienden die hem niet blindelings volgen en die hij daarom vernedert of laat censureren en bedreigen. En evenmin misschien door Luthers grofheid, zijn fixatie op uitwerpselen, bijvoorbeeld wanneer hij weer eens uitweidt over zijn aambeien, het bloeden ervan prijst als ‘een mestpoort voor alle ziektes’ en hoe ‘het poepen bijna een genot’ werd. Want zulke ontboezemingen zijn in de vroegmoderne of laat middeleeuwse tijd minder bizar dan nu, al steken tijdgenoten als de door Luther zo onbehouwen bestreden Erasmus op dit vlak bij hem af als een toonbeeld van beschaving en fijnzinnige ironie.

De ontzetting bevangt je pas echt bij Luthers virulente antisemitisme, zeker wanneer je beseft hoezeer zijn opvattingen zich in het DNA van de hervormde en Lutherse kerken hebben genesteld. Vaak is gezegd dat hij in dit opzicht weinig van zijn tijdgenoten verschilde, of dat alleen de latere Luther zich in antisemitisch vaarwater begaf, maar Roper laat geen spaan van die relativeringen heel. Van meet af aan beschuldigde hij de joden ervan Christus te hebben vervolgd in plaats van hem als Messias te erkennen. De invloedrijke Luther riep de autoriteiten op alle synagogen en joodse scholen plat te branden en ‘wat niet brandt te bedekken met aarde zodat er geen steen of sintel meer van te zien is.’

Onwillekeurig drong zich hier bij mij een onheilspellend anagram van Luthers naam op: Hitler. Want de joden moeten volgens de grote kerkhervormer worden samengedreven, net als de zigeuners; de Talmoed en hun gebedenboeken dienen te worden vernietigd; ze mogen niet meer over de wegen gaan; ze moeten worden gedwongen latrines schoon te maken en zo maar door. Veel tijdgenoten ging het te ver. Luthers haat was niet louter het voortzetten van een traditioneel antisemitisme uit de middeleeuwen, het was er een verdere uitwerking ervan. Het behoorde tot zijn theologie, waarin niet de joden maar de lutheranen het uitverkoren volk van God waren geworden.

Zulke rabiate opvattingen en zijn narrige karakter maken het moeilijk het succes en de immense invloed van Luther te begrijpen. Daarom is het goed dat Roper aandacht besteedt aan zijn slagvaardige mediastrategie. Hij had nauwe banden met drukkers en liet veel preken en pamfletten onmiddellijk verspreiden. Hij schreef in het Latijn, maar vooral in de volkstaal, Duits, met een vaak emotionele stijl, zoals ook Andrew Pettegree in Het merk Luther betoogt.

Pettegrees mengsel van biografie en boekgeschiedenis toont de verbluffende productiviteit van Luther en noemt het succes van de reformatie zowel een theologische als ook een commerciële revolutie. Van Luthers talrijke geschriften en pamfletten verschenen alleen al tijdens zijn leven 2 miljoen exemplaren. Dat gebeurde dankzij  technische vernieuwingen en dankzij een censuur, die door de ingewikkelde politieke situatie en de verspreide ligging van drukkerijen in Duitsland krachteloos was. Maar in de eerste plaats door het imago van Luther als persoon. Zo werkte hij veel met beeld. Hij werkte nauw samen met de kunstenaar Lucas Cranach, wat een stroom aan gedrukte spotprenten, en vooral: vleiende portretten van Luther opleverde.

Pettegree voegt er met zijn boek nog zo’n vleiend portret aan toe en gaat kritiekloos mee in de propaganda die hij in de vorm van boekgeschiedenis tegelijk zo ijverig analyseert. Luthers antisemitisme vindt hij van weinig belang. De ondernemende kerkhervormer  is soms hooguit wat ondiplomatiek te midden van alle redeloze aanvallen waaronder hij te lijden heeft. De Britse geleerde is vol van de manier waarop ‘het merk Luther in de markt wordt gezet.’ Onbedoeld geeft hij een treffend vroeg voorbeeld van hoe een uitgekiende mediastrategie en grof gebekt populisme tot onwaarschijnlijke successen kunnen leiden.

 

Lyndal Roper, Martin Luther. Renegade and Prophet. The Bodley Head (Penguin); 577 blz., euro 39,99. Andrew Pettegree, Het merk Luther. Atlas / Contact, 432 blz., euro 29,90.