Citaat van de week: De pijn van schaamte en jaloezie is zo hevig, omdat ijdelheid ons niet kan helpen ze te verdragen (La Rochefoucauld)
Catherine Belsey en Paul Claes over literatuur: plagiaat, illusie, pastiche.
Schrijver(s) Catherine Belsey, Paul Claes
Gepubliceerd in de Volkskrant 14 mei 2011
Datum gepubliceerd 14-05-2011

Het verhaal van Narcissus is bekend: hij was zo verliefd op zichzelf dat hij zijn eigen spiegelbeeld in het water wilde omhelzen, voorover viel en verdronk. Minder bekend is het verhaal van de nimf Echo. Zij hield van Narcissus, maar vergeefs. Ze verloor haar stem en werd een rots die alleen nog kon herhalen wat anderen verzuchtten.

 

Voor de schrijver Paul Claes is deze tragiek een goed beeld voor wat literatuur is. Literatuur is verliefd op zichzelf en kan alleen herhalen wat dichters en vertellers eerder hebben verhaald. De titel van zijn boek is goed gevonden: Echo’s echo’s is zelf een echo en verwijst dus naar zichzelf, net zoals volgens Claes alle literatuur dat doet. Zelden vatte een titel een boek zo kernachtig samen, of het moet Ik Jan Cremer zijn geweest. Toevallig ook een behoorlijk narcistische onderneming.

Echo’s echo’s is een update van de versie uit 1988 en zou daarom best Echo’s echo’s echo’s kunnen heten. Kennelijk ging dat  uitgever of schrijver te ver. Het is meer een leerboek dan een betoog: het staat vol opsommingen en indelingen van hoe literatuur naar zichzelf verwijst: plagiaat, allusie, vertaling, pastiche en noem maar op. Semiotici, structuralisten en andere theoretici laten hun verwoestende sporen achter en de achteloze lezer moet niet schrikken als hij op ‘subjecten van de fenotekst’ stuit, of op ‘perifrastische en metonymische allusies’ en een ‘door cesuren gereleveerde “philoon”’.

Hoewel Paul Claes geen academisch schrijver is, vertegenwoordigt zijn boek wel de  academische benadering van literatuur uit de afgelopen decennia, een benadering waarin ‘intertekstualiteit’ centraal staat. Weliswaar geeft hij veel voorbeelden uit de literatuur zelf, maar zijn eruditie getuigt toch eerder van gepassioneerd puzzelen en hogere quiz-zucht dan dat het je warm maakt voor bepaalde boeken of schrijvers.

Volgens A Future for Criticism van Catherine Belsey is dat vereiste enthousiasme precies wat zo lang heeft ontbroken aan de studie van literatuur en de literaire kritiek. Het woord criticism moeten we ruimer nemen dan het Nederlandse woord kritiek. Het staat voor de hele benadering van literatuur - en vaak ook andere kunsten, zelfs de hele cultuur. Belsey wijst er terecht op dat de aanpak van literatuur zo langzamerhand wat voorspelbaars heeft gekregen en pleit voor meer begrip van het plezier bij het lezen van fictie.

Zij verzet zich tegen het moralisme van gender- en postkoloniale studies, die aan de universiteiten een soort orthodoxie zijn geworden. Veel postmoderne analyses grijpen terug op een religieus vocabulaire van schuld en zelfopoffering, zo klaagt ze, in plaats van te laten zien waarom lezen ons plezier verschaft. Sommigen zoeken het daarom in een biografische belangstelling, maar daar gaat het haar niet om. Want zij pleit voor plezier in de tekst zelf, als tekst tussen andere teksten. Daarvoor zou ze best de echo’s van Paul Claes kunnen beluisteren. In zijn boek kun je echt je intertekstuele hart ophalen.

Toch is Belsey uit op iets ingewikkelders en haalt  ze, naast semioten en poststructuralisten, nog heel wat andere recente helden van het postmoderne discours uit de kast. Uiteindelijk kunnen we volgens haar het plezier, dat wij aan fictie beleven, begrijpen als herkenning van het verlangen naar iets wat we kwijt zijn en wat niet meer kan worden hersteld.

Dat klinkt mooi maar is behoorlijk abstract. Ik kan er geen greintje vrolijkheid of vitaliteit in ontdekken. Eigenlijk vertegenwoordigen beide boeken bij uitstek het narcisme van de academische kritiek, die vergeet dat literatuur van de echte wereld deel uitmaakt en daar een plaats in behoort in te nemen. Ook A Future for Criticism echoot erop los, zij het niet van verhaal naar verhaal maar van postmodern cliché naar postmodern cliché.

Je kunt het nodige inbrengen tegen het twee jaar geleden eveneens door postmoderne discussies aangetaste boek van Thomas Vaessens, De revanche van de roman. Alleen laat hij wel goed zien hoe achterhaald dat postmoderne narcisme is en hoe literatuur zich weer met de wereld is gaan bezighouden. In die benadering zit meer leven, en daarom ook plezier, dan in de steriele en naar binnen gekeerde werkwijze van Claes en Belsey waaraan elke urgentie ontbreekt.

 

Paul Claes: Echo’s echo’s. De kunst van de allusie. Vantilt, 224 pagina’s, euro 16,95, ISBN 978 94 6004 068 9. Catherine Belsey: A Future for Criticism. Wiley-Blackwell, 144 pagina’s, euro 29,95