Citaat van de week: De pijn van schaamte en jaloezie is zo hevig, omdat ijdelheid ons niet kan helpen ze te verdragen (La Rochefoucauld)
Jon Savage: liever tiener. Teenage. The Creation of Youth.
Schrijver(s) Jon Savage
Gepubliceerd in de Volkskrant 31 augustus 2007
Datum gepubliceerd 31-08-2007

De gekte bereikte een voorlopig hoogtepunt toen Frank Sinatra in mei 1943 in Paramount Theater op Times Square een optreden verzorgde. Onder het gegil van uitzinnige pubers werden niet alleen rozen het toneel opgesmeten: The Voice kreeg nu ook een regen van panties en beha’s over zich heen. Zong hij I’ll walk alone, zo schreef een ooggetuige, dan snokten honderden meisjes in de zaal: ik ga wel met je mee, Frankie.

            Frank Sinatra mag dan vaak het eerste tiener-idool worden genoemd, het verschijnsel was niet helemaal nieuw. Bij een optreden van het Benny Goodman Orchestra liet het publiek zich in hetzelfde theater al eens gaan. Een vertwijfelde Goodman: ‘Wij keken naar hen alsof zij de show waren en wij het publiek.’ En in de jaren twintig rukten vrouwelijke fans de filmheld Rudolph Valentino reeds de kleren van het lijf. Op zijn begrafenis, in 1926, vochten ze zich in een chaotische menigte van tienduizenden bewonderaars naar zijn kist om die aan te raken en te kussen.

            Je kunt je vrolijk maken om het nu zo vertrouwde beeld van die puberale overgave aan filmhelden en popsterren, of je ergeren aan het hedendaagse massale gedweep met de jeugdcultuur, dat zoveel tv-programma’s een treurige aanblik geeft. Maar een beter idee is het er een boek over te schrijven en je af te vragen waar dit alles vandaan komt. Jon Savages Teenage. The Creation of Youth 1875-1945 geeft een rijke geschiedenis van pubergedrag. Zijn overzicht behandelt de meest uiteenlopende facetten van jeugdcultuur tot halverwege de vorige eeuw: van hooligans tot zwijmelende jongeren, van padvinders tot bizarre modeverschijnselen, van de roaring twenties tot de Hitler Jugend en van witte en zwarte jazz tot kindsoldaten, Anne Frank en jeugdbendes.

            Dat hij van de hak op de tak springt en zelf niet altijd weet waar het schip strandt doet niet af aan de levendigheid van zijn beschrijvingen en aan zijn enthousiasme over al die vremmde gewoontes, modes en trends die in de loop van de geschiedenis de puber allengs meer in hun greep krijgen. En hij heeft een goed oog voor de commerciële motieven die de tiener zichtbaar hebben gemaakt en misschien zelfs wel hebben gecreëerd. De teenager, zo begint hij zijn boek met enig aplomb, ontstaat in de Verenigde Staten en het is een marketingterm. Gelukkig wordt de tiener in zijn boek niet louter gereduceerd tot de nieuwe consument van massacultuur en massaproductie. Hij is ook de sensitieve jongeling die zich emancipeert en in die zeventig bewogen jaren een eigen identiteit zoekt tussen jeugd en volwassenheid.

            Een fascinerend moment in de ontstaansgeschiedenis van de tiener is de tijd na de Eerste Wereldoorlog. De orgie van geweld en de onvoorstelbare slachtingen betekenden in de ogen van veel jongeren het morele failliet van de generatie die deze waanzinnige oorlog begonnen was. De opwindende jaren twintig waarin zij zich vervolgens lieten gaan zijn misschien een cliché, met hun jazz, auto’s, sigaretten, Charleston, sterke drank en androgyne vrouwen in steeds kortere rokken. Maar dat de vanzelfsprekende gehoorzaamheid van kinderen tegenover hun ouders weg was, is een belangrijke constatering. Veel meisjes waren bovendien op jonge leeftijd in de fabriek gaan werken om de oorlogsindustrie op gang te houden. Ze werden zelfstandig en hadden geld op zak.

            Er heersten na die oorlog een hedonistisch verlangen naar direct geluk en weerzin om mee te doen aan de wereld van vorige generaties. Voor het eerst was het niet meer vanzelfsprekend zo snel mogelijk volwassen te willen worden. ‘Youth was not an age,’schrijft Savage, ‘but a state of mind.’ Dat wordt een constante in de geschiedenis van de jeugdcultuur, tot op vandaag. Uitstel van volwassenheid is inmiddels een diep in onze maatschappij verankerde verleiding die door reclame en popmuziek dagelijks wordt gevoed en die met de hippies en bloemenkinderen van 1968 opnieuw een enorme impuls kreeg. Het is dan ook jammer dat dit boek in 1945 ophoudt en de rock ’n roll en de hele popcultuur van daarna onbesproken laat, om nog te zwijgen van de spectaculair toegenomen scholing en de omvangrijke consumptie onder jongeren. Toegegeven, dat zou een ander boek worden, maar de jaartallen die dit boek nu begrenzen zijn eigenlijk behoorlijk geschift.

            Terecht noemt Savage 1945 immers het jaar nul: na de Tweede Wereldoorlog zien we een razendsnelle opkomst van de teenager (‘tiener’ klinkt nog oubolliger, haast net zo gedateerd als het woord ‘bakvis’ uit het interbellum.) Eerst in de popmuziek, en vanaf de jaren zestig al snel ook in kleding en in het aanjagen van een veel breder consumptiepatroon. Raarder is echter het volkomen willekeurige beginpunt van dit boek, 1875. Daarom zigzagt de auteur in die eerste hoofdstukken wellicht van de vroeg gestorven dagboekenschrijfster en schilder Marie Bashkirtseff naar de nu evenzeer vergeten vijftienjarige kindermoordenaar Jesse Pomeroy, van jeugdbendes in Amerika en Engeland naar Arthur Rimbaud en Oscar Wilde. En passant wipt hij een eeuw terug naar Rousseau, Goethe en de Engelse romantici. Die werkt hij in een paar bladzijden af, terwijl daar juist de sleutel ligt tot de uitvinding van de alomtegenwoordige adolescent.

            Want in sentimentele romans als Rousseau’s La nouvelle Heloïse of Goethes Die Leiden des jungen Werthers vinden we voor het eerst de wanhoop en de broeierige seksualiteit van de jongere die zich niet begrepen weet. Dit zijn de eerste rebels without a cause. En de jonge romantici van daarna verheerlijken de jeugd. Zij leveren elementen aan voor bijna elke subcultuur van later, met hun heilig geloof in muziek, hun lange haar en extravagante kleding, hun gedweep met gothic, hun narcisme, hysterie en drugsgebruik. Als Savage beter had nagedacht was hij zijn boek begonnen rond 1800, of anders in 1918, 1945 of 1968.   

                                                                                  

Toch heeft hij veel te bieden. Neem de beklemmende beschrijving van de nazificatie van de Duitse jeugd. ‘Kijk naar deze jongeren!’riep Hitler in een interview in januari 1933 uit. ‘Wat een materiaal! Met hen kan ik een nieuwe wereld scheppen.’ En dat deed hij. Aan het eind van dat jaar telde de Hitler Jugend al drie en een half miljoen leden. De beweging vormde een drastisch antwoord op de weigering volwassen te worden door het leven weer richting te geven.

             Overal in Europa politiseerden jongeren en bloeiden de jeugdbewegingen op met hun vlaggen en strijdliederen. Maar nergens zo sterk als in het instabiele Duitsland. De nazi’s speelden in op de minachting voor het verleden; na de machtsovername in 1933 was de jeugd aan zet. Dat riep een generatieconflict in het leven dat heftig uit kon pakken. Menig zoon gaf zijn eigen vader bij de Gestapo aan. Zo berispte de voormalige communist Hess zijn zoon omdat hij actief was voor de nazi’s en noemde Hitler een krankzinnige maniak. Diezelfde nacht nog werd hij opgepakt. Later kwam hij in Dachau om.

            De Hitler Jugend groeide snel. Andere jongerenorganisaties werden geannexeerd of verboden. Een wet van december 1936 lijfde de hele Duitse jeugd in, later zelfs vanaf tien jaar oud, het zogeheten Jungvolk. De leden deden veel aan beweging: turnen, boksen, gymnastiek en teamsporten. Verder spoorzoeken, droppings, kaartlezen, marcheren. Zo werden miljoenen ideologisch en fysiek klaargestoomd voor de SS, de SA en later de Wehrmacht, terwijl de minder fanatieken of zwakkeren voor de Arbeidsdienst waren bestemd. Dat dit op zo’n grote schaal lukte, zegt iets over de totale greep die de nazi’s op het land verkregen, maar ook over de ontvankelijkheid van jonge mensen voor propaganda.

            Bovendien worden de onwaarschijnlijke successen van de Duitse Blitzkrieg er weer iets begrijpelijker door. Toen een Amerikaanse journalist in het late voorjaar van 1940 door het Duitse leger werd uitgenodigd om de verovering van België van nabij te volgen - de Verenigde Staten waren toen nog neutraal - mocht hij enkele Britse krijgsgevangenen spreken. Wat hem vooral opviel was de belabberde conditie van de Engelse soldaten, jongens uit het industrieproletariaat die het na een korte training op moesten nemen tegen atletische strijders die jaren op de oorlog waren voorbereid.

            Wanneer Duitsland in 1945 op een totale ondergang afstevent zet het kindsoldaten in van vijftien en zestien jaar, die rechtstreeks uit de gelederen van de Hitler Jugend afkomstig zijn. Ze waren berucht, want deze verknipte jongens kenden geen enkele angst, hadden niets te verliezen en waren fanatiek en wreed, precies als de gedrogeerde kindsoldaten in Afrika nu. Hier raakt Salvage aan een van de zwartste kanten van de teenager uit de laatste eeuw, onthutsender dan het geweld van leden van jeugdbendes en van de minderjarige moordenaars waar hij een wat goedkope belangstelling voor heeft.

            Nu valt al lang in romans te lezen dat tieners net zo slecht zijn als grote mensen, zo niet erger, of het gaat om de gemeneriken in het werk van Charles Dickens, dan wel om het kleine meesterwerk van Nobelprijswinnaar William Golding. In diens Lord of the Flies (1954) komt een aantal jongens op een eiland terecht en bouwt een samenleving op die het slechtste in ieder naar boven brengt. Misschien echter is de gewelddadigheid van die jonge soldaten in dit boek zo schokkend omdat ze gecontrasteerd wordt met de leefwereld van een andere tiener: Anne Frank.

Je kunt het effectbejag noemen om haar leven af te zetten tegen dat van daders, maar het werkt wel. Misschien door de absurde tegenstelling van maximale beweging en activiteit in soldatenlevens tegenover het gedwongen stilzitten in het Achterhuis op een leeftijd die juist om beweging en sociaal contact schreeuwt. Met de even absurde overeenkomst dat beide soorten leven tot een vroegtijdige gruwelijke dood hebben geleid.

            Teenage zoekt telkens extremen op en heeft weinig aandacht voor het gewone leven en de grijstinten. Juist in extreme periodes als de oorlog zou het goed zijn ook te putten uit het recente werk van schrijvers als Martin Walser of Günter Grass, dat de nuances en de veelvormigheid van dat leven beschrijft, inclusief de schaamte, de twijfel en het gebrek aan de meedogenloze historische duidelijkheid achteraf. Die kwestie is weer actueel nu in Duitsland opnieuw ophef is ontstaan over het NSDAP-lidmaatschap van een voormalige minister, een filosoof en een voormalig hoofdredacteur.

Waardevol daarentegen is het in kaart brengen van de enorme culturele invloed die de Verenigde Staten op Europa hebben uitgeoefend, vooral ten gevolge van de beide wereldoorlogen. In het kielzog van de Amerikaanse soldaten ontdekten ook anderen Europa. Veel Amerikanen, waaronder schrijvers en kunstenaars, kwamen na de Great War naar Berlijn, Parijs en andere steden. In de jaren twintig was het leven daar goedkoop – en de drank niet verboden, als thuis in Amerika. Jazz, swing en de film veroverden het uitgaansleven – en dus de belevingswereld van jongeren.

            Maar het was de Tweede Wereldoorlog die in het kielzog van militaire hegemonie ook de culturele hegemonie van de Verenigde Staten met zich meebracht. Niet meer Parijs was voortaan de culturele hoofdstad in de wereld, of Londen of het totaal verwoeste Berlijn. Voortaan was het New York. De opmars van Amerikaanse populaire muziek was niet meer te stuiten en de belangrijkste taal is sindsdien het Engels. Dat valt allemaal buiten het bestek van dit boek, dat in 1945 stopt, alleen maakt Savage goed duidelijk hoe de Amerikaanse consumptiecultuur als jeugdcultuur onweerstaanbaar werd.

Amerika had teenagers, herinnerde John Lennon zich in een interview in 1966, ‘and everywhere else just had people.’ Maar nu is de tiener overal. Deze geschiedenis laat postmoderne cultuurbeschouwers en opgewonden televisiekijkers, kooplustigen in winkelstraten, strandbezoekers, mediagoeroes, hiphoppers, trendwatchers, popfanaten, en uitgaanstypes, die na hun veertigste hun tienergedrag niet opgeven, zien dat jeugdcultuur veel ouder is dan men denkt.

 

Jon Savage: Teenage. The Creation of Youth 1875-1945. Chatto & Windus, 551 pagina’s