Citaat van de week: Je kunt doen alsof je ernstig bent, je kunt niet doen alsof je geestig bent. (Sacha Guitry)
Schopenhauer en 2 boeken over ethiek
Schrijver(s) Arthur Schopenhauer
Gepubliceerd in de Volkskrant 4 december 2010
Datum gepubliceerd 04-12-2010

Arthur Schopenhauer moest lang op erkenning wachten. De filosofen uit zijn tijd liepen achter de overschatte Hegel aan en de geleerden aan de universiteit waren te afgunstig om zijn genie op waarde te schatten. Geleerden, klaagde de grote denker, bezien het genie als een haas, die pas na zijn dood kan worden opgediend, en waarop men kennelijk ‘zolang hij leeft slechts moet schieten wat men kan.’

Toch mocht Schopenhauer (1788-1860) de roem nog smaken waar hij decennia op had zitten wachten. In de laatste jaren van zijn leven kreeg hij zelfs fans die hem om een handtekening vroegen alsof hij een hedendaagse popster was. In zijn woonplaats Frankfurt werd hij een soort toeristische trekpleister, schrijft zijn nieuwe biograaf David Cartwright in het slothoofdstuk: The Comedy of Fame. Voor zulke aandacht had de filosoof echter diepe minachting.

Hij ergerde zich eraan wanneer mensen naar de stoel van Shakespeare kwamen kijken, of naar de hoed van Kant of het geboortehuis van Goethe, in plaats van gewoon hun werk te lezen. Alsof je bij een schilderij niet naar de voorstelling, maar naar de lijst staat te turen, zo mopperde hij. Niettemin zijn er verschillende biografieën over Schopenhauer geschreven en ze zijn fascinerend. Of liever gezegd: de man was het.

De precies honderdvijftig jaar geleden gestorven filosoof was de zoon van een anglofiele koopman uit Danzig - vandaar zijn Engelse voornaam - en de latere schrijfster Johanna Schopenhauer. Met hen reisde de jonge Arthur meer dan een jaar door Europa. In ruil daarvoor beloofde de naar filosofie en literatuur hunkerende puber zijn vader vervolgens in het zakenleven te gaan. Pas twee jaar na diens vermoedelijk zelf gekozen dood in 1805 durfde hij zijn gelofte te breken en stortte hij zich alsnog op de filosofie.

Dat deed hij eigengereid en met een grote verbetenheid. In de salon van zijn moeder, waar de beroemde Goethe veel kwam, stond de jongeman stuurs bij het raam en als hij al eens iets zei was dat om anderen de les te lezen. Schopenhauer kon de roem van zijn moeder nauwelijks verdragen en zij werd er op haar beurt niet vrolijk van hoe de betweterige melancholicus de sfeer bedierf. Ze drong er op aan dat hij elders een onderkomen vond. ‘Voor mijn geluk is het nodig dat ik weet dat jij gelukkig bent,’schreef ze, ‘maar niet om er getuige van te zijn.’

Dat Goethe haar salon graag bezocht kwam ook doordat zij er geen moeite mee had dat hij met de sociaal laag aangeschreven Christiane Vulpius was getrouwd. ‘Als hij haar zijn naam geeft, kunnen wij haar toch wel een kopje thee schenken?’ hield ze de dames van Weimar voor. Dat Schopenhauer de best schrijvende filosoof van de negentiende eeuw is geworden moet iets met de rake formuleringen van zijn moeder te maken hebben.

De publicatie van Schopenhauers meesterwerk, De wereld als wil en voorstelling (1819), riep een oorverdovende stilte op. Toen hij in Berlijn zijn colleges op hetzelfde uur als de populaire Hegel zette was het effect nog erger. Er kwamen vijf studenten op af, en al spoedig niemand meer. Verbitterd wendde de filosoof zich af van de universiteit. Dankzij de erfenis van zijn vader kon hij zonder vaste betrekking door het leven. Voortaan zou hij een onderscheid maken tussen filosofen die voor de filosofie leefden (hijzelf) en zij die van de filosofie leefden (de anderen).

Cartwright vertelt dit allemaal braaf in zijn biografie, maar zijn verhaal haalt het niet bij dat van Rüdiger Safranski’s levensbeschrijving uit 1987. Schopenhauer zou Cartwrights belangstelling voor de wortels van zijn werk misschien toejuichen, evenals diens gebrek aan psychologische belangstelling en het ontbreken van illustraties. Maar het slordige register en de oude, op weinig stoelende roddel dat Schopenhauer syfilis zou hebben, hadden hem ongetwijfeld doen ontploffen.

Het is vreemd dat dit pas de eerste Engelse Schopenhauer-biografie is, gezien de ongelooflijk rijke biografische traditie in dat taalgebied. En het hoge niveau daar in aanmerking genomen is het nog vreemder dat dit boek weinig toevoegt, afgezien van een verslag van de maanden die de vijftienjarige op een christelijke school in Wimbledon moest verduren. Voor een biografie over een zo kleurrijk en interessant denker moet je zoiets als een standpunt hebben, dus een beetje lef, en zelf kunnen nadenken.

Dat is Cartwright niet gegeven en daarom is het mooi dat het honderdvijftigste sterfjaar van de filosoof in ons land gevierd wordt met de verschijning van twee deeltjes van de meester zelf over moraal. Ze laten zien dat Schopenhauer uiteindelijk gelijk heeft en dat we toch beter het schilderij kunnen bestuderen dan de lijst van het leven, waarin het werk is gevat.

Paradoxaal genoeg meent Schopenhauer dat het eigenlijk geen zin heeft wanneer filosofen met ethiek komen aanzetten. Je kunt wel regels en formules geven over hoe we ons dienen te gedragen, maar wie trekt zich in het concrete handelen iets aan van dat abstracte gefilosofeer en gemoraliseer? Sterker nog, Schopenhauers inktzwarte filosofie legt uit dat we volkomen gedetermineerd zijn en helemaal niet kunnen kiezen. Gegeven ons karakter ligt bij een bepaalde situatie vast hoe we zullen handelen. Natuurlijk, we hebben vaak tegenstrijdige motieven. Maar die geven ons slechts een illusie van vrijheid: de sterkste motieven winnen en die hebben altijd te maken met eigenbelang.

In De vrijheid van de wil geeft Schopenhauer het voorbeeld van een man die van zijn werk komt en tot zichzelf zegt dat hij een wandeling kan maken, naar de club kan gaan, een toren beklimmen om de zon te zien ondergaan, het theater of een vriend bezoeken en zelfs voorgoed de wijde wereld intrekken, waarna hij in de waan van volledige vrijheid net als elke dag gewoon naar huis gaat, naar zijn vrouw. Vrijheid is een illusie.

De vrijheid van de wil was de eerste Schopenhauer-vertaling van Hans Driessen. Het andere boek, Dat ben jij, is de kroon op een vertaalproject van twintig jaar. Daarmee heeft Driessen vrijwel het gehele bij leven verschenen werk van Schopenhauer vlekkeloos vertaald en van noten voorzien, een geweldige prestatie bij een filosoof die zo goed schrijft en zoveel stijlregisters hanteert.

De uitgever durfde bij dit laatste deel kennelijk niet de oorspronkelijke dorre titel aan, Over de grondslag van de moraal, en maakte er een ondertitel van. Dat ben jij suggereert een zelfhulpboek voor meisjes op de basisschool en toch is deze keuze niet gek. Want ‘dat ben jij’ is de uit het hindoeïsme afkomstige stelregel tat tvam asi, het inzicht dat wij allen deel uitmaken van de metafysische Wil en niet anders zijn dan al het andere, mens, dier, plant en zelfs ding, dat louter streeft naar bestaan en voortbestaan. Dat besef is voor Schopenhauer het fundament van de moraal, en het heet: medelijden.

Medelijden is het direct, zonder abstracte regels of normen herkennen van het leed van de ander als ons eigen leed. Op die manier ontsnapt de pessimistische filosoof aan zijn eigen determinisme, al is hem hier met recht inconsequentheid verweten.

Beide boeken waren van oorsprong inzendingen op een prijsvraag. De vrijheid van de wil werd bekroond door de Koninklijke Noorse Academie voor Wetenschappen. Dat ben jij echter niet door de Deense koninklijke zuster-academie, zoals Schopenhauer sarcastisch op de titelpagina liet afdrukken. Het is wel jammer dat beide boeken niet als later bij Schopenhauer in één band verschijnen, want nu moeten we het bijtende voorwoord missen waarin Schopenhauer zelf weinig medelijden aan de dag legt jegens zijn collega’s en die Deense Academie.

Volgens zijn eerste biograaf Von Gwinner was de oude Schopenhauer niet bang voor de dood. Dat spoedig de wormen zijn lichaam zouden aanvreten deerde hem niet. Maar dat de filosofieprofessoren het product van zijn geest zouden aanraken, dat vervulde hem met diepe afschuw.

David E. Cartwright: Schopenhauer. A Biography. Cambridge University Press, 575 pagina’s, € 34.-; Arthur Schopenhauer: De vrijheid van de wil. Wereldbibliotheek, € 14,50; Arthur Schopenhauer: Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal. Wereldbibliotheek, € 16,50, beide vertaald en van noten voorzien door Hans Driessen.