Citaat van de week: Je kunt doen alsof je ernstig bent, je kunt niet doen alsof je geestig bent. (Sacha Guitry)
Goethe: in Rome heb ik mijzelf gevonden. Tijdens het reizen ontdekt hij de Romantiek
Schrijver(s) Goethe
Gepubliceerd in Trouw 28 januari 2006
Datum gepubliceerd 28-01-2006

Wat een levenslust, en wat een gretigheid. Menigeen zal na een dag reizen eerst zijn koffers uit willen pakken, een bad nemen en iets willen drinken, zeker na tien of twaalf uur gehobbel in een koets over de slechte wegen van de achttiende eeuw. Zo niet Goethe. Komt hij in een een nieuw stadje aan, dan beklimt hij subiet de hoogste toren om stratenplan en omgeving in kaart te brengen. Links en rechts informeert hij naar de geschiedenis van het gebied, de regionale producten, de plaatselijke politiek, de bodemgesteldheid en wat niet al. Hoe planten ze de paardebonen bij Agrigento, en is het waar dat daar op Sicilië het linnen wordt gewassen met de as van verbrand stro? Waar blijft het Napolitaanse afval? Wat is er in Rome in de theaters te zien?

            Vanuit de Alpen reist Goethe via Verona naar Venetië. Op 8 oktober 1786 betreedt hij het Lido en daarachter doemt plotseling de zee op: ‘Wat biedt de zee toch een grootse aanblik!’ Volgende zin: ‘Ik zal kijken of ik met een vissersschuit een tocht kan maken: de gondels wagen zich niet buitengaats.’ De volgende dag noteert de doortastende reiziger reeds vol enthousiasme wat hij op dit tochtje allemaal heeft bekeken.

Arriveert hij in Napels, dan moet hij naar de Vesuvius. De vulkaan is in die dagen actief en komt geregeld tot uitbarsting. Goethe heeft grote belangstelling voor geologie en wil tot de rand van de krater. Met de schilder Tischbein, die het beroemde portret van Goethe in het arcadische landschap van Italië zou schilderen, beklimt hij de berg, vergezeld van twee gidsen. Alleen de jongste gids en Goethe durven ten slotte verder te gaan, de anderen blijven achter onder een overhangende steen. In regens van fijne as en over gloeiende rolstenen bereiken ze de kraterwand, waaruit gebulder opklinkt en opeens stukken lava worden opgehoest. Eenmaal terug onder de overhangende steen geeft Tischbein Goethe ‘een uitbrander’, maar de geleerde kunstenaar is al weer volop bezig met de ouderdom van de lava, met breuklijnen en oergesteente.

Er waren allerlei redenen voor Goethe om zijn leven in Weimar te ontvluchten en het land van de bloeiende citroenen op te zoeken. Zijn vader was er ooit geweest en had een vroeg verlangen in hem geplant, hij leed onder liefdesperikelen en onder onvrede met zijn eigen leven. Zijn reis kan worden gezien als een uitgestelde grand tour, de reis die jongeren van goede komaf destijds naar Italië maakten om hun opvoeding te voltooien. Maar het fascinerende aan dit reisverslag is, dat het helemaal niet meer gaat om de achttiende-eeuwse idealen die met zulke reizen gepaard gingen. Want ondanks het gretige enthousiasme voor alles wat hij ziet en ondanks zijn veelzijdige wetenschappelijke kennis gaat Goethe in de eerste plaats op reis om zichzelf te ontdekken.

Hij schuimt de talloze kerken en kunstverzamelingen niet af om er thuis verslag over uit te kunnen brengen en voor de rest van zijn leven voldoende conversatiestof te hebben. Hij hoopt er door te veranderen. Aangevuurd door zijn enthousiasme voor de Oudheid begint hij zelf te schetsen en te tekenen in de hoop hier de kunstenaar te worden die hij in wezen denkt te zijn. En al doet hij dat aanvankelijk vanuit zijn bewondering voor Winckelmanns classicisme, gaandeweg worden de ideeën van de kunstenaar, van het eigen persoonlijke genie steeds belangrijker. Als Goethe in Italië geworden is wie hij was, dan is dat: romanticus.

Zo getuigt zijn botanische belangstelling niet meer van de encyclopedische benadering van Linnaeus, die planten determineerde en ze in een alomvattend systeem wist in te delen. Veel eerder gaat het Goethe om de ontdekking van de oerplant, het ‘idee’ dat volgens hem aan elke plant ten grondslag ligt en dat je door intuïtief schouwen steeds beter zou kunnen benaderen. Op Sicilië wordt hij zo meegesleept door dit idee, dat hij elk ogenblik meent die oerplant ook werkelijk te kunnen vinden.

Zijn wetenschappelijke belangstelling voor kleur is niet minder romantisch: telkens is het bij hem de waarnemer die de kleur mee-bepaalt. Je ziet hoe hier, in de beschrijving van het prachtige landschap en van de talloze schilderijen zijn romantische opvatting over waarneming vorm krijgt. Die opvatting mondt later uit in zijn kleurenleer en zijn verbeten strijd tegen de opvattingen van Newton, die zoveel bitterheid in de laatste jaren van zijn leven zal brengen, culminerend in zijn legendarische, zij het apocrieve laatste woorden, op zijn sterfbed geslaakt: ‘Licht! Mehr Licht!’

Goethes wens beeldend kunstenaar te worden loopt trouwens op een fiasco uit. Na een jaar verzucht hij in Rome dat hij te oud is ‘om nog iets anders te doen dan prutswerk af te leveren’ en een paar maanden later schrijft hij dat de winst van zijn verblijf in die stad zal zijn ‘dat ik van het beoefenen van de beeldende kunst af zal zien’. Voorzover zijn reis de wedergeboorte van zichzelf is, is het die van de schrijver en de romantische wetenschapper die hij is. Hij schrijft poëzie, voltooit er de Egmont en neemt zijn Faust weer op.

Die kanteling van een tijdperk, op de drempel van de romantiek, die dubbelheid in Goethe, welke later zo prachtg door hem gethematiseerd wordt in zijn roman Die Wahlverwandschaften (1809), duikt in zijn reisverslagen geregeld op. Als hij de Alpen net over is en in een dorpje de ruïne van een kasteel zit te schetsen, vormt zich een kring opdringerige omstanders rondom hem. Is dit niet een buitenlandse spion, die heimelijk de versterkingen in kaart brengt? Iemand pakt zijn schets en scheurt hem ostentatief doormidden. Burgemeester erbij, en de gemeentesecretaris. Waarom tekent hij die ruïne?

Enkele decennia later zit bij wijze van spreken rond elke ruïne in Europa wel een groepje kunstenaars te schetsen, maar in deze jaren is dat nog ongebruikelijk. Goethe maakt geen indruk op de autoriteiten wanneer hij aanvoert dat die versterking toch volledig in puin ligt en militair geen enkel belang meer dient. Ook als hij opmerkt dat menig buitenlander in Rome ruïnes schildert en dat het kapotte amfitheater in het nabije Verona eveneens vaak wordt nagetekend, kan hij de burgemeester, met ‘afgestompte trekken op zijn onbenullige gezicht’ nauwelijks overtuigen. Dankzij zijn charmante persoonlijkheid weet hij ten slotte toch aan gevangenneming te ontsnappen en krijgt hij ’s avonds bij zijn vertrek zelfs een mandje van de rijpste wijndruiven mee.

Wie de Italiaanse reis van kaft tot kaft leest komt onvermijdelijk op het punt dat men kent wanneer de enthousiaste vakantieganger je zijn foto’s wil laten zien. Soms wordt de opeenstapeling van standbeelden en schilderijen wat veel van het goede, en de schrijver vervalt wel eens in herhaling, maar er staat zo veel behartenswaardigs tegenover, dat ook de minder fanatieke Italiëganger telkens weer opveert. Een hoogtepunt is Goethes beschrijving van het Romeinse carnaval, waarvoor hij zijn afkeer van massaal gedrang klaarblijkelijk opzij heeft gezet.

Temidden van paardenraces en eindeloze optochten op de Corso bekogelt men elkaar met snoepjes, en met van gips nagemaakte snoepjes. Vrouwen en mannen verschijnen in de meest uiteenlopende vermommingen: als tovenaars, advocaten, Pulcinella’s, bakkersknechten. Zelfs buitenlandse kunstenaars worden geïmiteerd en bespot, wat niet alleen aangeeft hoezeer die inmiddels het straatbeeld beheersten, maar wellicht ook Goethes laatste schildersambitie de nekslag heeft gegeven. Meesterlijk is zijn observatie aan het begin van dit hoofdstuk. Eigenlijk is het carnaval hier niet zo bijzonder, want het is niet meer dan een voortzetting van het plezier dat men op alle zon- en feestdagen al maakt: ‘het is niets nieuws, niets vreemds, niets unieks, het knoopt slechts heel natuurlijk aan bij de leefwijze van de Romeinen.’

Op aswoensdag ten slotte slaat Goethe een ernstiger toon aan: de pret is even snel verdwenen als de voorbij vliegende paarden de dagen tevoor. Hij moet constateren ‘dat vrijheid en gelijkheid slechts in de roes van de waanzin kunnen worden genoten’. Zo vlak voor het uitbreken van de Franse Revolutie klinkt het achteraf als een bijna te frivool commentaar op de Terreur waarin die revolutie spoedig zou ontaarden.

Niet lang daarna keert Goethe eindelijk naar Weimar terug en maakt hij nog eens de balans op. ‘In Rome’, schrijft hij met het voor hem kenmerkende mengsel van zelfverzekerdheid en melancholie, ‘heb ik mezelf voor het eerst gevonden’. Maar wie hij echt is zal naarmate hij meer schrijft raadselachtiger worden. Misschien laat zijn manier van reizen iets van hem zien, in elk geval is die onvergetelijk. 

 

 

Johann Wolfgang von Goethe, Italiaanse reis. (Vertaling Wilfred Oranje, bezorging Marinus Pütz). Uitgeverij Boom, 671 blz.